E-Book, Dutch, Flemish, 260 Seiten
Reihe: World Classics
Verne De Zuidster: het land der diamanten
1. Auflage 2018
ISBN: 978-87-26-11631-1
Verlag: SAGA Egmont
Format: EPUB
Kopierschutz: 6 - ePub Watermark
E-Book, Dutch, Flemish, 260 Seiten
Reihe: World Classics
ISBN: 978-87-26-11631-1
Verlag: SAGA Egmont
Format: EPUB
Kopierschutz: 6 - ePub Watermark
De franse mijnbouwkundige Cyprianus Méré wordt in Zuid-Afrika verliefd op de dochter van een rijke landeigenaar. Omdat hij niet rijk is, mag hij niet met haar trouwen, en hij bedenkt een plan om samen met zijn compagnon Thomas Steel snel rijk te worden. Eerst proberen ze naar diamanten te graven, maar dat is geen succes. Dan bedenkt Méré een methode om een kunstmatige diamant te vervaardigen, waarmee hij in een klap schatrijk wordt. Maar dan wordt de diamant gestolen, en moet Méré op zoek naar de dief. De roman verenigt alle klassieke thema's in het werk van Verne: spanning, reizen en technologische innovatie. Een methode om synthetische diamanten te maken werd pas in 1955 uitgevonden, dus zoals wel vaker was Verne met deze roman uit 1884 zijn tijd ver vooruit. Jules Verne (1828-1905) werd geboren in de Franse havenstad Nantes en had advocaat moeten worden zoals zijn vader, maar hij rende vroeg van huis weg om toneelstukken en artikelen voor tijdschriften te schrijven. Zijn samenwerking met de uitgever Pierre-Jules Hetzel leidde tot de magisch populaire boekenreeks 'Voyages extraordinaires' - fantastische reizen - waarin hij op basis van zorgvuldig onderzoek, onder andere 'The journey to the interior of the earth' (1864), 'A World Cruise Under the Sea' (1870) en 'Earth in 80 Days' (1873) schreef. Jules Verne is ten onrechte geclassificeerd als kinderschrijver vanwege de verkorte en vervormde versies van zijn boeken, terwijl hij als auteur in Frankrijk de artistieke avant-garde heeft beïnvloed. Jules Verne is de op één na meest vertaalde auteur ter wereld - gelegen tussen Agatha Christie en William Shakespeare - en wordt vaak de vader van het science fiction-genre genoemd.
Weitere Infos & Material
Eerste hoofdstuk.
Dolle kerels, die Franschen! “Spreek, mijnheer, ik luister.” “Mijnheer, ik heb de eer de hand van miss Watkins, uw dochter, te vragen.” “De hand mijner Alice?….” “Ja, mijnheer. Mijn aanzoek schijnt u te verrassen. Is het niet? Toch moet gij mij ten goede houden, dat ik niet recht begrijp, waardoor dat aanzoek u zoo buitengewoon voorkomt. Ik ben zes en twintig jaren oud. Ik heet Cyprianus Méré. Ik ben mijn-ingenieur en heb als numero twee bij den algemeenen wedstrijd de Polytechnische school verlaten. Mijne familie is wel is waar niet rijk, maar zij is geacht en geëerd. De consul van Frankrijk aan de Kaap de Goede Hoop zal u zulks kunnen getuigen, wanneer gij dat zult verlangen, en mijn vriend Pharamond Barthès, de stoutmoedige jager, dien gij evenals iedereen in Grikwaland kent, zou u hetzelfde kunnen getuigen. Ik ben hier in naam van het Fransche Gouvernement door de Académie des Sciences tot het verrichten van wetenschappelijke onderzoekingen gezonden. Verleden jaar heb ik in het Instituut den prijs Houdard voor mijne verhandelingen over de scheikundige samenstelling der vulkanische rotsen van Auvergne behaald. Mijne verhandeling over het diamanthoudend bekken der Vaalrivier, die ik bijna voltooid heb, kan niet anders dan goed ontvangen worden door de geleerden en de wetenschappelijke lieden. Als ik van mijne zending teruggekeerd zal zijn, word ik benoemd tot hulp-professor bij de mijnenschool te Parijs, en ik heb reeds last gegeven vertrekken voor mij te huren in de Universiteitsstraat No. 104 op de derde verdieping. Mijne bezoldiging bereikt met aanstaanden Nieuwjaarsdag, de som van vier duizend acht honderd francs. Dat is het inkomen van Rothschild niet, dat weet ik wel; maar de opbrengst mijner particuliere werkzaamheden, mijner onderzoekingen, academische prijzen, medewerking aan verscheidene tijdschriften, veroorlooft dat ik op een dubbel inkomen mag rekenen. Ik voeg er bij dat, daar mijne behoeften eenvoudig en bescheiden zijn, ik niet meer noodig heb om mij gelukkig te gevoelen. Dus nogmaals, mijnheer, ik heb de eer u de hand van miss Watkins, uwe dochter te vragen.” Door den flinken en vastbesloten toon van die kleine toespraak, gaf Cyprianus Méré voldoende den toetssteen aan, dat hij de gewoonte had in alle zaken, zelfs in de meest intieme, recht op zijn doel af te gaan en vrij uit te spreken. Zijne gelaatstrekken daarenboven logenstraften den indruk niet, door zijne taal voortgebracht. Hij had het uiterlijk van een jongmensch, dat zich gewoonlijk met de hoogste wetenschappelijke scheppingen bezig hield en slechts den minst mogelijken tijd aan ’s werelds ijdelheden afstond. Zijn kastanjekleurig haar, dat hij kort als een borstel geknipt droeg, zijn blonde baard, die bijna met de huidsoppervlakte gelijk geschoren was, de eenvoud van zijn grijs linnen reiskostuum de tienstuivershoed van stroo, dien hij, wel opgevoed als hij was, bij het binnentreden op een stoel had neergelegd, hoewel de persoon tot wien hij sprak, met de gewone slordige onachtzaamheid aan het Angelsaksische ras eigen, met gedekten hoofde was gebleven,—dat alles toonde aan, dat Cyprianus Méré een ernstigen geest bezat niet alleen, maar ook een rustig geweten en een rein hart, dat in zijn kristalhelderen blik zich afspiegelde. Er moet nog bijgevoegd worden, dat die jeugdige Franschman zoo volmaakt zuiver Engelsch sprak, alsof hij in de meest Engelsche graafschappen van het Vereenigd Koninkrijk langen tijd verblijf gehouden had. Mr. Watkins hoorde hem aan, terwijl hij zijn lange pijp rookte en in een houten leuningstoel gezeten was, waarbij hij het linkerbeen op een rieten voetenbankje uitgestrekt had, en met den elleboog geleund was op eene tafel, waarop een kruik gin stond, waarbij een glas, half met dien alcoholischen drank gevuld. Die persoon was gekleed met een witten pantalon, een blauw jasje van grof linnen, een hemd van een geelachtig flanel, evenwel zonder vest of das. Onder den onmetelijken vilten hoed, die op zijn grijs hoofd geplakt of geschroefd scheen, rondde een rood en opgeblazen gezicht, dat waarachtig had kunnen vergeleken worden bij een poppenkop, die met bessenstroop ingesmeerd was. Dat weinig innemende gelaat, dat hier en daar met stukjes baard bezaaid was, van die kleur, welke men gewoonlijk melkboeren-hondenhaar noemt, was versierd met kleine grijze oogen, die er met een centerboor ingeboord schenen en niet veel geduld of goedheid des harten aanduidden. Ter verschooning van Mr. Watkins dienen wij er dadelijk bij te voegen, dat hij vreeselijk aan het pootje sukkelde, waarom hij genoodzaakt was zijn linkervoet steeds omzwachteld te houden. Nu is het pootje eene ziekte, die evenmin aan de zuidelijke spits van Afrika als overal elders geschikt is, om de gemoedsstemming der lieden, aan wier gewrichten zij knaagt, te verzachten. Het tooneel viel voor op de gelijkvloers-verdieping van de pachthoeve van Mr. Watkins, die zoo wat gelegen was op den 20sten breedtegraad ten zuiden van de Evennachtslijn en op den 22sten oosterlengte van Parijs op de westelijke grens van den Oranje-Vrijstaat, ten noorden van de Britsche Kaap-Kolonie, te midden van Zuid-Afrika, dat eene gemengde Engelsch-Hollandsche bevolking bezit. Dat land, hetwelk door den rechter oever van de Oranjerivier begrensd wordt, bevindt zich aan de zuidelijke uiteinden van de groote woestijn van Kalahari, welke op sommige ouderwetsche landkaarten den naam van Grikwaland voert, en wordt thans met veel meer recht sedert ruim tien jaren het “Diamonds-Field”, het Diamantenveld, geheeten. De spreekkamer, waarin deze diplomatische samenkomst plaats had, was waarachtig opmerkenswaardig, zoowel door de minder gepaste weelderigheid van eenige meubelstukken als door de betrekkelijke armoede van de overige bijzonderheden van dit binnenvertrek. De vloer bijvoorbeeld bestond doodeenvoudig uit vast aangestampte aarde, die hier en daar door dikke tapijten en kostbaar pelswerk bedekt was. Aan de muren, die nimmer met eenig behangselpapier geprijkt hadden, was een zeer fraaie pendule in gedreven koper opgehangen, alsook prachtwapens van verschillenden oorsprong, en Engelsche kladprenten, die door overrijke lijsten omgeven waren. Een fluweelen sofa prijkte naast eene tafel van wit hout, die ter nauwernood in eene fatsoenlijke keuken te huis zou behoord hebben. Er stonden leuningstoelen, rechtstreeks uit Europa aangevoerd, die hunne armen te vergeefs naar Mr. Watkins schenen uit te strekken, want deze verkoos steeds op een ouden stoel plaats te nemen, dien hij vroeger met eigen hand lomp en onbehouwen gefatsoeneerd had. Over het algemeen genomen, gaven de voorwerpen van waarde, alsook de achteloosheid waarmede de panterhuiden, luipaardshuiden, giraffe- en tijgerhuiden op den vloer alsook op al de meubelen geworpen waren, aan dit vertrek het uitzicht van barbaarsche welgesteldheid. Uit de bouworde van het plafond was het duidelijk, dat het huis geen bovenverdieping bezat en slechts uit een reeks vertrekken gelijkvloers bestond. Die woning was, evenals alle andere daar te lande, gedeeltelijk van kleiaarde opgetrokken. Zij was gedekt met bladen van geribd zink, die op een zeer lichten dakstoel aangebracht waren. Men kon ook zien, dat de bouw van die woning nauwelijks geëindigd was. Want inderdaad, men behoefde zich slechts buiten het venster te buigen, om rechts en links vijf of zes verlaten gebouwen te bemerken, allen van denzelfden bouwtrant maar van verschillende ouderdom, die zich in den meest gevorderden staat van verval bevonden. Dat waren allen huizen, die Mr. Watkins opvolgend gebouwd, bewoond en verlaten had naar mate zijn vermogen toenam, waarvan die woningen derhalve alshetware den stijgenden trap aangaven. De meest verwijderde was eenvoudig uit plakzoden vervaardigd, en mocht op geen anderen naam dan op dien van hut aanspraak maken. De volgende was uit kleiaarde opgetrokken; de derde uit aarde en planken; de vierde uit kleiaarde en zink. De lezer ziet uit welke toonladder de kunststukken van de nijverheid van Mr. Watkins bestonden en tot welke hoogte hij zich had weten te verheffen. Al die gebouwen, die zich in min of meer ontredderden toestand bevonden, verrezen op een bergje, dat gelegen was bij de samenvloeiing van de Vaal- met de Modderrivier, de twee voornaamste cijnsplichtige wateren van de Oranjerivier in dit gedeelte van Zuid-Afrika. Rondom strekte zich, zoover de blik naar het Zuid-westen en het noorden kon reiken, eene kale en droefgeestige vlakte uit. Het Veld—zooals die vlakte daar te lande genoemd werd—bestond uit een roodachtigen, drogen, onvruchtbaren en stofferigen grond, die hier en daar slechts eenig spaarzaam voorkomend kruid en eenige doornachtige struiken vertoonde. Het totale gemis van boomen is het eigenaardig kenmerk van deze naargeestige landstreek. Als daarbij in aanmerking genomen wordt, dat er ook geen steenkolen aangetroffen worden, en dat de gemeenschapsmiddelen met de zee zeer moeilijk en derhalve niet van de vlugste zijn, dan zal het niemand verwonderen, dat de brandstoffen er ontbreken en dat men er toe moet overgaan, de gedroogde uitwerpselen van de kudden runderen voor de huiselijke benoodigdheden te gebruiken. Op dien eentonigen bodem, die er werkelijk erbarmelijk uitziet, wordt men den loop der beide rivieren gewaar, die evenwel zoo weinig ingesneden zijn en welker oevers zich zoo weinig boven den waterspiegel verheffen, dat men moeilijk kan begrijpen, waarom zij binnen hare bedding blijven en niet over de geheele vlakte stroomen. De gezichteinder is alleen naar dien kant van het oosten verbroken door de ver verwijderde kamvormige verhevenheden van twee bergen: den Platberg en den Paardenberg, aan welker voet een scherp oog rookzuilen, stofwolken en witte puntjes kan ontwaren, welke laatsten hutten of tenten zijn, en rondom een gewriemel...




