E-Book, Dutch, Flemish, 311 Seiten
M. Val
1. Auflage 2013
ISBN: 978-94-6109-126-0
Verlag: De Crime Compagnie
Format: EPUB
Kopierschutz: 6 - ePub Watermark
E-Book, Dutch, Flemish, 311 Seiten
ISBN: 978-94-6109-126-0
Verlag: De Crime Compagnie
Format: EPUB
Kopierschutz: 6 - ePub Watermark
TUPLA M. Tupla M. is het pseudoniem voor het schrijversduo Wendela de Vos en Atie Vogelenzang. Zij debuteerden in 2005 bij de Arbeiderspers met de literaire thriller Vrouwelijk Naakt. Met dat boek wonnen de schrijfsters de Schaduwprijs 2006. Na hun debuut volgden nog drie titels: Een Kwestie van Tijd (2007), Speeddate (2008) en Meer Dood dan Levend (2010). Tevens verleende het duo haar medewerking aan drie zeer succesvolle verhalenbundels: Stampvol Spannende Verhalen (AW Bruna, 2010), Verrassing! (Verbum Crime, 2011) en Stille Getuigen (GNM/cpnb ism Nederlands Forensisch Instituut, 2011). In 2012 stapte het duo over naar onze uitgeverij en afgelopen mei verscheen Schuld.
Autoren/Hrsg.
Weitere Infos & Material
1
Soms kun je onheil zien naderen. Het komt als een dreigende onweerswolk dichterbij en je kunt er, als je snel bent, nog voor schuilen. Veel vaker heb je niets in de gaten. Je bent bezig met je eigen besognes, je eigen kleine en grote zorgen en opeens staat het voor je en kun je het niet meer ontwijken. Caro van Soerendonk zag het gevaar niet aankomen.
*
De jonge makelaar zag er moe uit. Kringen onder de ogen, slecht geschoren wangen, vlassig haar dat gewassen had moeten worden. Onder zijn lichtgrijze jasje was zijn overhemd al vlekkerig van het zweet, hoewel het pas elf uur in de ochtend was.
‘Zo, mevrouw Van Soerendonk, daar zijn we dan.’ Met een triomfantelijk gebaar opende hij de voordeur en stapte zelf als eerste naar binnen, op de voet gevolgd door Caro. De gang was smal, de grijze vloerbedekking liep aan het einde door op de trap die met een leuning op witte spijlen in een halve bocht naar boven leidde. Naast de voordeur zaten, als vierkante rugzakken, de achterkanten van drie brievenbussen. De bovenste stond open, de makelaar haalde er de stapel reclamemateriaal uit en duwde het deurtje dicht. Het appartement op de derde verdieping was nog niet verkocht. Caro’s brievenbus was gesloten, evenals de onderste. Op die van haar zat nog geen naambordje, op de onderste brievenbus stond kortweg Kleinschmidt. Een Duitse naam. Hier in Zuid-Limburg woonden veel Duitsers, maar ze had geen idee wie er onder haar woonden.
De makelaar draaide zich om en deed een stap naar achter om haar te laten passeren. Tegelijkertijd hield hij de sleutel voor haar omhoog. Caro bewoog niet. De koelte van de gang streek langs haar vermoeide gezicht en door haar donkere halflange haar waarin hier en daar een zweem van grijs schemerde. Ze had al weken geleden naar de kapper gemoeten, maar het was er niet van gekomen. Niet zozeer omdat ze geen tijd had, maar vooral omdat ze geen ruimte in haar hoofd had. Ze nam haar zonnebril af en streek over haar klamme voorhoofd. Over de grijze vloerbedekking bewogen donkere schaduwen die tegen de muren op leken te kruipen. Een seconde overwoog ze zich om te draaien, weg te lopen, de kade op en dan rechtsaf de winkelstraat in en te verdwijnen tussen de mensenmassa; om dan een taxi te nemen en tegen de chauffeur te zeggen ‘rijdt u maar, geeft niet waar naartoe, als ze mij er maar niet kennen’. Ze zette haar zonnebril weer op. De schaduwen stonden stil. Ze wankelde even. ‘Wordt er wel iets gedaan aan die vlekken hier?’
‘Vlekken?’ De makelaar keek om zich heen, gealarmeerd bij het idee dat hij iets over het hoofd had gezien. ‘Waar precies?’
‘Daar. Daar,’ wees Caro ongeduldig.
De makelaar zag niets. Geen sporen van lekkage of beschadigingen. Als goed makelaar gaf hij zijn cliënten echter altijd gelijk, dus zei hij: ‘Ik zal er meteen naar laten kijken. Kwestie van een kwastje erover. Geen enkel probleem.’
Caro van Soerendonk was een mooie vrouw, maar de schoonheid was gebutst, beurs, beschadigd. Niet in de zin van gehavend of verwond door iemand, hoewel ze dat zelf misschien wel zo zou zien op dit moment, maar meer als een koffer, ooit duur, maar te vaak en te hard op de bagageband gesmeten. Ze droeg een lichtblauw bloesje waarvan de kraag in de nek een dun bruin vuilrandje had, een gekreukte donkerblauwe rok, waaronder haar blote witte benen afstaken, haar voeten gestoken in een paar versleten platte schoenen.
De makelaar glimlachte bemoedigend en maakte een onhandig soort buiginkje. Hij deed zijn best. Hij had erop gestaan haar persoonlijk naar haar nieuwe huis te brengen. Volstrekt overbodig wat haar betreft, want tenslotte had ze het al gekocht. Van een projectontwikkelaar die oude huizen in de binnenstad opkocht, renoveerde en daarna met vette winst weer doorverkocht. Dus er was geen vorige bewoner die nog stiekem even alle kranen had kunnen verwijderen. Of de inbouwmagnetron. Ze knikte en stapte de naar vers stucwerk ruikende hal in.
Voor, achter, langs elkaar heen manoeuvrerend liepen ze door de smalle gang, de trap op naar de tweede verdieping. Daar wachtte de makelaar geduldig tot zij met haar eigen sleutel de voordeur had geopend en als eerste naar binnen was gestapt. Het appartement was zo klein dat ze met twee passen in de woonkamer stonden. Hoger in het gebouw was het warm, hoewel de zon, die sinds begin augustus dag in dag uit had geschenen, hier niet binnenviel. Ook niet als de huizen aan de overkant van het smalle straatje minder dichtbij hadden gestaan.
Caro keek rond, meer uit beleefdheid tegenover de makelaar, dan voor zichzelf. Nerveus zette ze de zonnebril af en weer op. De vorige keer, bij de eerste bezichtiging, had ze nog moeite gedaan zich voor te stellen hoe het zou zijn als ze hier woonde. In gedachten had ze een bank voor het raam gezet. Maar ze kwam er uiteindelijk op uit dat twee losse stoelen geschikter zouden zijn. Geen ruimte voor een eettafel, maar dat was ook eigenlijk niet nodig voor haar alleen. Ze zou wel een kruk bij het aanrecht zetten. Gewoon aan het fornuis, dan had ze alleen een lepel nodig om te eten. In de slaapkamer had ze stappen genomen om te zien of er nog een kast naast een niet te breed bed kon staan. Nu knikte ze bij alles wat de makelaar zei en wilde maar een ding: dat het voorbij was. Dat ze kon gaan zitten op de zandkleurige vloerbedekking met een glas naast zich en de fles die ze in haar grote bruine kantoortas had meegenomen.
Op het moment dat ze allebei voor een van de smalle ramen stonden ging de telefoon van de makelaar. Zich excuserend liep hij van haar vandaan, wat niet kon verhinderen dat ze de krijsende baby hoorde aan de andere kant van de lijn en daardoorheen een hoge paniekerige vrouwenstem. De makelaar sprak sussende woorden terwijl hij tegelijkertijd aan zijn das rukte en de boord van zijn overhemd opentrok. Hier in Maastricht was het vaak nog een paar graden warmer dan elders in het land. Hij was er niet op gekleed.
Caro staarde uit het raam. ‘Met zicht op de Maasoever’ had in de brochure gestaan. Ze keek naar het driehoekje rivier dat ze tussen de huizen door kon zien, naar de bogen van de oude brug. En heel in de verte zag ze een van de vele kerktorens van de stad. De zon blikkerde in het water. Daarboven een witblauwe lucht zo ver als je kijken kon. Zo heel anders dan het uitzicht dat ze gewend was. Rechts zag ze alleen huizen met aan het einde de dwarsstraat waar veel interieurwinkeltjes waren en trendy restaurantjes.
‘Dit huis zal als een jas om uw schouders passen,’ had de makelaar gezegd toen hij haar de eerste keer rondleidde. En na een blik op haar visitekaartje dat met een paperclip aan zijn informatiemap zat gehecht, ‘Het zal iedere dag weer een feest zijn om hier thuis te komen na een dag hard werken in de rechtszaal. Met al die ruziënde echtparen.’ Hij had gegrinnikt, een beetje meewarig, alsof hijzelf een ander soort huwelijkscontract had afgesloten. Eentje waar het scheidingsrisico was uitgesloten en levenslang geluk gegarandeerd. Maar ze had zich zo beroerd gevoeld die dag, dat ze er niet om had kunnen lachen.
De makelaar had zijn vrouw kennelijk weten te kalmeren. ‘Zullen we verder gaan?’ vroeg hij. Zijn glimlach was nu een beetje geforceerd. Hij had duidelijk haast gekregen. Ze schoven langs het donkere natuurstenen aanrechtblad, wierpen een blik in de zwart-wit getegelde badkamer met inloopdouche, stapten in de slaapkamer met openslaande deur naar buiten, waar je zelfs nog een paar passen kon zetten op een dakterrasje. Ten slotte ging hij haar voor naar het kastgrote kamertje dat hij study noemde. Daar beging hij in zijn poging om snelheid te koppelen aan voorkomendheid, de fout om even snel het raam te willen opendoen. Hij reikte onhandig langs haar heen, verkeek zich op de soepelheid van de nieuwe scharnieren en gooide het raam zo hard tegen de muur dat er een barst in het dubbele glas sprong.
Zodra de makelaar weg was trapte Caro haar schoenen uit, ging zitten op het piepkleine dakterras en haalde de fles uit haar tas. Ze had er niet aan gedacht om een glas mee te nemen en dus dronk ze de wodka direct uit de fles. Ze ontspande zich, leunde met haar hoofd tegen de deurpost en deed haar ogen dicht. Dit werd dus haar plek. ‘Thuis’ zouden mensen zeggen, maar dat was het natuurlijk niet. Thuis was elders. Zij was verbannen, weggestuurd. Hier moest ze haar straf uitzitten, haar zonden overdenken. ‘Tot rust komen,’ noemde Rollo dat, maar rust was niet wat ze nodig had.
Om haar heen klonk de soundscape van de stad. De doffe ondertoon van automotoren, doorsneden door een optrekkende scooter, de sirene van een politiewagen. Ze hoorde de waarschuwingsbel van de slagboom ten teken dat de brug openging en toen plotseling van alle kanten beierende kerkklokken. Van dat geluid hield ze. Het was een van de dingen die ze heerlijk had gevonden toen ze naar het katholieke Limburg waren verhuisd. Een paar keer per dag golfde het bronzen geluid over de stad, het bereikte je overal waar je ook was en trok een klankspoor door je hoofd. Daarna leek er altijd een beetje meer ruimte onder je schedel te zitten.
Ze nam nog een teug en zocht in haar tas. Die ochtend had ze in een opwelling een pakje sigaretten gekocht. Nu ze weer alleen ging wonen, kon niemand klagen over de rook of zeuren over haar gezondheid. Toen ze zwanger was van Julia was ze gestopt, maar er waren altijd momenten gebleven dat ze verlangde naar de geur van tabak, het diepe inademen, de rook weer laten ontsnappen door getuite lippen. Onwennig stak ze een sigaret op en inhaleerde voorzichtig. In het huis naast haar werd met een schurend geluid een raam gesloten, aan de overkant klonk een radio of televisie met de nieuwsberichten. Na een paar trekjes maakte...




