E-Book, Dutch, Flemish, 351 Seiten
Jansma Schuilplaats
1. Auflage 2013
ISBN: 978-94-6109-120-8
Verlag: De Crime Compagnie
Format: EPUB
Kopierschutz: 6 - ePub Watermark
E-Book, Dutch, Flemish, 351 Seiten
ISBN: 978-94-6109-120-8
Verlag: De Crime Compagnie
Format: EPUB
Kopierschutz: 6 - ePub Watermark
Linda Jansma (1967) schrijft al sinds haar kinderjaren. Eerst voornamelijk voor zichzelf, later ook voor vrienden en in de schoolkrant. Op haar twaalfde stuurt ze haar eerste manuscript, een jeugdboek, naar een uitgeverij. Het boek wordt niet uitgegeven, maar de positieve feedback zorgt ervoor dat ze verder blijft schrijven. Met haar eerste boek, Caleidoscoop (2010), wint Linda De Schaduwprijs en is ze een van de laatste 11 kanshebbers op de Gouden Strop. Niet alleen de jury en de pers reageert enthousiast op Linda's eersteling, lezers stemmen massaal op haar boek op lezersites als Dizzie.nl en Watleesjij.nu waar ze wekenlang de eerste plaats domineert. Haar eerste boek is nu ook vertaald in het Engels en wereldwijd verkrijgbaar onder de titel Haunted. In februari 2012 verschijnt haar tweede boek: Tweestrijd. Deze thriller behaalt de derde plaats in de verkiezing Beste Vrouwenhriller aller tijden. Haar derde boek, Houvast, verschijnt in het najaar van 2012 en wordt door de pers lovend ontvangen. In oktober 2013 zal haar vierde boek Schuilplaats verschijnen.
Autoren/Hrsg.
Weitere Infos & Material
Eén
Dinsdag 31 januari 2012, 14.29 uur
Moeizaam duw ik het overvolle winkelwagentje de supermarkt uit. Als de glazen deuren achter me dichtschuiven slaak ik een diepe zucht en sluit heel even mijn ogen. Lieve meid, die Tjitske, maar ze kan kletsen als een oud wijf. En zie er maar eens onderuit te komen als ze eenmaal op dreef is. Dat lukt niemand, ook mij niet, met het gevolg dat ik ruim een kwartier heb verloren. Alleen maar tijdens het afrekenen. Het is onvoorstelbaar hoe ze zo kan kakelen en geen enkele fout maakt tijdens het scannen van de artikelen.
Ik werp een blik op mijn horloge en besef dat ik wel mag opschieten. Over drie kwartier moet ik weer op het schoolplein staan om de kinderen te halen en het liefst heb ik dan deze boodschappen al thuis opgeborgen. Op het moment dat ik de kleine parkeerplaats voor de Coop-supermarkt op loop, zie ik minuscule vlokjes vallen. Ook dat nog. Ik kijk naar de licht- en donkergrijs geschakeerde lucht boven me. Als het maar niet doorzet. Sneeuw kan ik missen als kiespijn. Kou is geen probleem, wat mij betreft vriest het twintig graden, als er maar geen neerslag bij komt.
Onder het lopen vis ik moeizaam mijn sleutels uit mijn jaszak en ontgrendel op afstand alvast de portieren van mijn auto. Haastig open ik even later de achterdeuren en trek twee rode boodschappenkratjes naar me toe.
‘Kin ik helpe?’
De stem klinkt zo onverwachts, dat ik van schrik bijna een kuipje boter uit mijn handen laat vallen. Maar ik hoef niet op te kijken om te weten wie het is. De stem herken ik uit duizenden.
‘Nee, dank je, Posthumus,’ zeg ik bits, terwijl ik stug doorga met het overladen van de boodschappen. Eigenlijk hoop ik tegen beter weten in dat hij nu afdruipt, maar dat doet hij niet. Posthumus, of eigenlijk Lieuwe Posthumus, staat er namelijk niet om bekend dat hij aan één woord genoeg heeft. Vanuit mijn ooghoek zie ik hem met zijn heup tegen mijn auto leunen en een pakje sigaretten uit zijn jaszak halen.
‘Ha jo ek fjoer?’ vraagt hij na een poosje, een sigaret tussen twee vingers omhooghoudend.
Nu kijk ik wel naar hem op. Ik zie zijn fletsblauwe ogen die me bijna brutaal aanstaren, en zijn mond, waarvan hij één hoek lichtjes optrekt tot een flauwe grijns. De verweerde huid van zijn gezicht vertoont de eerste sporen van ouderdom, maar eerlijkheidshalve moet ik toegeven dat dat hem niet misstaat. In combinatie met zijn dikke bos blonde haar is hij misschien zelfs wel knap te noemen. Al zal ik de laatste zijn die dat hardop zou beweren. Daarvoor hebben we een te slechte verstandhouding.
‘Ik rook niet,’ zeg ik bij wijze van antwoord, terwijl ik mijn blik afwend en me richt op het in het krat zetten van negen pakken melk.
Hij zwijgt en kijkt toe hoe ik de rest van de boodschappen in mijn auto laad, voordat hij uiteindelijk een aansteker uit de zak van zijn vale jeans haalt en zijn sigaret opsteekt. Hoezo, zoeken naar iets om een gesprek te beginnen?
Ook ik zeg niets meer en nadat ik de achterdeuren van mijn auto gesloten heb, druk ik op de vergrendeling en loop terug naar de supermarkt om het winkelwagentje weg te brengen. Misschien dat hij opgehoepeld is als ik weer terugkom.
Binnen zie ik dat er nog steeds een rij staat bij de kassa waar Tjitske achter zit. Niet verwonderlijk, want zoals altijd is ze in rap Fries een heel verhaal aan het vertellen tegen de klant die zojuist nog achter me in de rij stond. Haar schelle stem ratelt, terwijl ze op z’n elfendertigst de boodschappen over de scanner schuift. Als ze mij ziet, staakt ze haar bezigheden en roept: ‘It is de suvere wierheid, dochs frou Goslinga?’
Verstoord kijk ik haar kant op. Waarom moet ze mij nou weer bij het gesprek betrekken? Ik heb hier geen tijd voor. Heel even wil ik doen alsof ik haar niet gehoord heb, maar het is al te laat. Iedereen bij de kassa, vier vrouwen en een klein meisje, hebben hun blik inmiddels op mij gevestigd en wachten op antwoord.
‘Wat?’ vraag ik, iets meer kortaf dan ik eigenlijk bedoel.
‘Dat Posthumus is weromkommen, fansels!’
Iets vertelt me dat ze het over heel iets anders hadden dan Lieuwe Posthumus die weer terug is. Misschien is het de blik van Nelleke, de vrouw van Jelmer Ritskes, de wijkagent van Holwerd, die me dat doet denken. Zij is tenslotte de eerste die zou weten dat Posthumus weer in het dorp is. En bij haar blijft nooit iets lang geheim, vooral niet als ze in de rij staat bij de kassa van de enige supermarkt in Holwerd.
‘Dat lijkt mij wel,’ zeg ik uiteindelijk. Ik wijs naar de glazen schuifdeuren en vervolg: ‘Zoals jullie vast al gezien hebben hangt hij buiten rond.’
Bijna allemaal tegelijk kijken ze nu door de deuren naar het parkeerterrein. Ik zie Tjitske haar mond alweer open doen om wat te zeggen, maar ik wacht er niet op. Snel trek ik het muntje uit het winkelwagentje en haast me de Coop uit. Als ik langs het fietsenrek naar mijn auto loop, zie ik dat Posthumus zich verplaatst heeft en nu met zijn rug tegen de muur van de supermarkt geleund staat. Hij neemt een stevige trek van zijn sigaret en staart naar me. Onafgebroken.
..
*
’s Avonds na het eten haal ik een mand met schoon wasgoed uit de deel om op te vouwen. Eigenlijk had ik dat vanmiddag nog willen doen, maar Mart was weer vreselijk overactief geweest, wat tenslotte had geresulteerd in een val van de trap. Aan tranen geen gebrek natuurlijk, waardoor ik uiteindelijk een halfuur met een nog nasnikkend kind op de bank heb gezeten. Tegelijkertijd kregen Fay en Timo ruzie over het tijdstip waarop Fay haar vioollessen studeerde. De enigen die ik niet hoorde was de tweeling. Maar dat kon ook niet anders. Simon was zoals altijd weer op stap. Vogels kijken op de dijk. En Marinka lag waar ze het liefste lag: tussen de geiten in het hooi. Met een boek.
In de grote woonkeuken stort ik de mand leeg op de lange, eikenhouten eettafel en trek glimlachend een T-shirt uit de stapel. In dit gezin is geen dag hetzelfde. Altijd gebeurt er wel iets, altijd klinkt er geschreeuw van kinderstemmen, of is er ruzie om een kleinigheid. En ik zou het voor geen goud willen missen. Ondanks dat het niet onze eigen kinderen zijn.
Zes hebben we er nu. Zes pleegkinderen. Via Jeugdzorg zijn ze bij ons terechtgekomen, omdat ze niet meer bij hun biologische ouders konden wonen. Negentien jaar geleden heeft de eerste zijn intrede in ons gezin gedaan en de laatste is hier vier jaar terug geplaatst. Ze hadden allemaal hun rugzakje, een verleden waar ze ook niet om gevraagd hebben, waardoor ze soms moeilijk handelbaar waren. En stuk voor stuk zochten ze continu grenzen op. Van onze regels, onze dagelijkse gang van zaken, van elkaar. In combinatie met onze eigen twee kinderen, Cris en Anna, die beiden inmiddels al op zichzelf wonen, leidde dat soms tot hevige conflicten. Maar in de loop van de jaren hebben we geleerd daarmee om te gaan en inmiddels kan wel gezegd worden dat de kinderen hun plekje gevonden hebben in het gezin, al is het dan surrogaat. Allemaal.
Op eentje na.
Achter me hoor ik de deur naar de deel dichtslaan. ‘It friest dat it ongelet,’ zegt Han, terwijl hij stevig in zijn handen wrijft. ‘Al het drinkwater was bevroren. Zélfs binnen.’
‘Het begon vanmiddag een beetje te sneeuwen,’ zeg ik, zonder op te kijken van mijn vouwwerk. ‘Maar het zette niet door.’
‘Maar goed ook,’ mompelt Han. ‘Vriezen moet het. En niet sneeuwen. Anders komt het er dit jaar weer niet van.’
Ik glimlach. Zoals bijna elke geboren Fries is Han een verwoed schaatser. Al dagenlang houdt hij de weerberichten in de gaten, juicht als de temperatuur nog verder daalt en moppert als het kwik weer oploopt. Sneeuw zou de aangroei van het ijs belemmeren en daarmee de kans op een Elfstedentocht drastisch verlagen. Voor een liefhebber als Han, die het liefst elk jaar die tocht zou rijden, kan het dus niet koud genoeg zijn. Dat weet ik al vanaf de eerste dag dat ik hem leerde kennen, tijdens de ijzelramp in 1987. Ik was uitgegleden op de ruim drieënhalve centimeter ijs dat op de stoepen lag en hij was het die me opraapte. Mijn gevloek over de kou en het ijs probeerde hij al lachend goed te praten, al weet ik niet meer precies wat hij allemaal zei, omdat zijn ijsblauwe ogen me totaal betoverden zodra hij me aankeek. Ik viel als een blok voor de grote Fries met zijn ruwe gebruinde huid, zijn grove handen en zijn donkere krullende haar. Ruim een jaar later waren we getrouwd.
‘It giet oan,’ zeg ik beslist. ‘Het is er koud genoeg voor.’ Ik trek de laatste handdoeken naar me toe en terwijl ik ze opvouw, vervolg ik: ‘Ze zoeken al slaapplaatsen.’
Han snuift. ‘Veel te voorbarig. Laten ze eerst maar eens wachten tot het ijs dik genoeg is. De poldergemalen zijn vandaag pas stilgezet. Wat denken ze nou? Dat de boel over twee dagen sterk genoeg is om duizenden mensen te houden?’ Hij schudt meewarig zijn hoofd. ‘Laarje. Koffie?’ vraagt hij er direct achteraan.
Ik knik en grinnik om Hans wisseling tussen het Fries en het Nederlands. Het liefst spreken we alleen Fries met elkaar, maar omdat we van mening zijn dat we de kinderen beter Nederlandstalig opvoeden, hebben we lang geleden besloten voornamelijk Nederlands met elkaar te praten. Soms echter, vooral als we met z’n tweeën zijn, steekt toch het Fries de kop weer op en praten we onwillekeurig in een mengelmoes van Fries en Nederlands. Af en toe vraag ik me af hoe hij dat op school doet. Hij is al jaren directeur van de Ploos van Amstelskoalle, de Protestants-Christelijke Basisschool in Holwerd, waar ze tweetalig onderwijs krijgen: in het Fries en in het Nederlands....




