E-Book, Dutch, Flemish, 90 Seiten
Reihe: World Classics
Dostojefskiej Witte nachten
1. Auflage 2018
ISBN: 978-87-26-12000-4
Verlag: SAGA Egmont
Format: EPUB
Kopierschutz: 6 - ePub Watermark
E-Book, Dutch, Flemish, 90 Seiten
Reihe: World Classics
ISBN: 978-87-26-12000-4
Verlag: SAGA Egmont
Format: EPUB
Kopierschutz: 6 - ePub Watermark
Dostojevski's naamloze verteller in 'Witte nachten' is een zeer eenzame jongeman in het oude Sint-Petersburg. Hij loopt door de nachtelijke straten terwijl hij een jonge vrouw ziet staan huilen aan een reling, vraagt wat er aan de hand is, maar toch doorloopt, ook al denkt hij dat er iets bijzonders aan haar is. Wanneer hij haar hoort schreeuwen, redt hij haar van een man die haar lastigvalt en naar huis volgt. Hij zegt dat hij de volgende avond ook te vinden zal zijn op de plaats waar hij haar tegenkwam. Ze gaat akkoord om hem opnieuw te zien, maar op voorwaarde dat dit geen romantische gevolgen mag hebben. Vier heldere nachten achtereen ontmoet en wordt hij verliefd op de vrouw, die Nastenka heet. Maar kan ze ooit de geliefde vergeten op wie ze wacht om met hem herenigd te worden? Of kan een vluchtige verliefdheid een leven lang duren? 'Witte nachten' uit 1848 is een van de vroege werken van Dostojevski. De novelle is door regisseurs van over de hele wereld 14 keer verfilmd. Fjodor Dostojevski (1821-1881) werd geboren in Moskou en stierf 59 jaar later aan een longziekte in St. Petersburg. Dostojevski heeft een prominente plaats in de canon van de wereldliteratuur en wordt niet in de laatste plaats erkend voor zijn verbeeldingen van de menselijke psychologie in het 19e-eeuwse Rusland. Tot zijn bekendste werken behoren 'Misdaad en straf', 'De idioot' en 'De gebroeders Karamazov'.
Weitere Infos & Material
Eerste nacht1)
Het was een wonderlijke nacht, zooals we slechts kunnen genieten, als we jong zijn, waarde lezer. De hemel was zóó vol sterren, zóó’n heldere hemel, dat men, er naar kijkende, zich zelf af moest vragen: hoe kunnen onder zóó’n hemel allerlei booze en grillige menschen wonen? Dat is ook een jonge vraag, een erg jonge vraag, maar moge God die nog dikwijls bij U doen opkomen!…. Sprekende over grillige en booze menschen, kan ik niet nalaten, mij ook mijn eigen gedrag van dien ganschen dag in herinnering te brengen. Van den vroegen ochtend af kwelde mij een wonderlijke weemoed. Ik had opeens de gedachte gekregen, dat alle menschen mij, eenzame, in den steek hadden gelaten, dat allen mij ontweken. Natuurlijk heeft ieder het recht mij te vragen: „Wie zijn die allen?”, want de acht jaren, dat ik in Petersburg woonde, had ik nog geen enkele kennis gemaakt. Maar wat had ik ook kennissen noodig? Was niet gansch Petersburg mij bekend? Daarom scheen ’t mij ook toe, dat iedereen mij in den steek liet, toen heel Petersburg zich verhief en naar buiten reisde. Ik vond het vreeselijk alleen te blijven, en drie heele dagen zwierf ik door de stad in diepen weemoed, volstrekt niet begrijpende, wat er met mij gebeurde. Of ik al op den Njefskiej-prospect liep, of in het park, of langs de Njewàkade zwierf — ik zag niemand, dien ik gewoon was te ontmoeten op dezelfde plaats, op een bepaald uur, het gansche jaar door. Zij kennen mij natuurlijk niet, maar i k ken hèn. Ik ken ze heel goed — en heb plezier mèt hen, als ze vroolijk zijn, en ben bedroefd als ze neerslachtig zijn. Ik heb bijna vriendschap gesloten met een oud heertje, dat ik elken dag, dien God geeft, ontmoet, op een bepaald uur op de Fontànka. Hij heeft zoo’n deftig, nadenkend gezicht; altijd mompelt hij wat in zijn baard en maakt bewegingen met zijn linkerhand; in zijn rechter houdt hij een langen, knoestigen wandelstok met gouden knop. Hij merkte mij zelfs op en scheen belang in mij te stellen. Zou ik soms eens niet op het bepaalde uur op dezelfde plaats van de Fontànka zijn — ik houd mij overtuigd, dat hij uit zijn humeur zou geraken. Vandaar dat we elkaar soms bijna groeten, vooral als we beiden goed gehumeurd zijn. Eens, toen we elkaar twee heele dagen niet gezien hadden en elkaar den derden dag tegen kwamen, hadden we bijna naar onzen hoed gegrepen, maar bedachten ons gelukkig nog bijtijds en liepen elkaar verlegen voorbij. Ook onder de huizen heb ik mijn kennissen. Als ik langs de straat loop, komt elk huis mij als ’t ware tegemoet, kijkt me met al zijn vensters aan en ik hoor het zeggen: „Goeden dag, hoe gaat het met U? Ik ben, God zij dank, gezond en ik krijg met Mei een nieuwe étage”; of: „Hoe gaat ’t met U? Ik word morgen gerepareerd”, of: „Ik ben bijna afgebrand! 0, wat was ik geschrikt!” enz. Ik heb onder die huizen lievelingen, teere vrienden; één is van plan zich dezen zomer bij een architect te laten genezen. Ik zal er opzettelijk elken dag heengaan, opdat er niet op een of andere manier, God verhoede ’t, iets verkeerds mee gebeurt. Maar nooit zal ik de geschiedenis van een alleraardigst, lichtroze huisje vergeten. ’t Was zoo een lief, steenen huisje, het keek me zoo vriendelijk aan, het keek zóó trotsch naar zijn plompe buren, dat mijn hart opsprong van vreugde, toen ik er toevallig voorbij kwam. Opeens, toen ik verleden week langs de straat liep en naar mijn vriend keek, hoorde ik een klagend geschrei: „Ze gaan mij geel verven!” Booswichten! Barbaren! Zij spaarden niets: geen zuiltje, geen kroonlijstje, en mijn makker werd zoo geel als een kanarie. Mijn gal liep me over en nu heb ik nog de kracht niet om naar mijn armen, afschuwelijk geworden vriend te gaan zien, dien ze heelemaal met de kleur van het Hemelsche Rijk versierd hebben. Zoo begrijpt ge dus, lezer, waarom ik zei, dat ik heel Petersburg ken. Ik heb al verteld, dat ik drie dagen door onrust gekweld werd, voordat ik er de oorzaak van vermoedde. Op straat vond ik ’t vervelend (die was er niet, en deze niet, en waar was die andere gebleven?) — maar ook thuis was ik me zelf niet. Twee avonden lang zat ik me af te vragen: wat ontbrak me dan toch in mijn kluis? In mijn twijfel beschouwde ik nauwkeurig mijn groene, berookte muren, het plafond bedekt met spinraggen, die Matrjena met groot succes had gefokt; bekeek al mijn meubelen, elken stoel, denkend dat dáár misschien mijn ellende in zat; (omdat ik, als bij mij een stoel niet zoo staat als den vorigen dag, uit mijn humeur geraak) keek naar het raam, maar alles te vergeefs.… ik werd er niets beter van. Ik kwam zelfs op de gedachte, om Matrjena te roepen en haar een standje te maken over de spinraggen en in ’t algemeen over haar slordigheid — maar ze keek me alleen verwonderd aan, ging weg zonder een woord te antwoorden, zoodat de spinraggen tot op heden nog netjes op hun plaats hangen…. Maar eindelijk heb ik van ochtend pas geraden, wat er was. Ja! ze hadden mij immers in den steek gelaten voor de dàtsja1). Vergeef ’t me, dat ik me zoo gewoontjes uitdruk, maar ik had geen bui voor deftigen stijl … want heel Petersburg was naar de dàtsja verhuisd, of was bezig daarheen te verhuizen; want ieder deftig heer van degelijk uiterlijk, die een koetsje nam, veranderde in mijn oogen dadelijk in een deftig huisvader, die na zijne onvermijdelijke bezigheden zich weder in den schoot zijner familie op de dàtsja begaf; want iedere voorbijganger had nu dat geheel eigenaardige uiterlijk, alsof hij ieder, dien hij tegenkwam, zou willen toevoegen: „wij zijn zoo maar even hier meneer, maar binnen twee uren vertrekken we naar de dàtsja, ziet u!” Als er een venster geopend werd, waartegen eerst dunne blanke vingertjes getikt hadden, en waaruit nu het hoofdje van een lief deerntje kwam steken, om een bloemenkoopman aan te roepen — dan stelde ik mij direct voor, dat die bloemen gekocht werden, volstrekt niet om van lente en bloemen te genieten in een bedompte stadswoning, maar omdat men die bloemen mee wilde nemen, als men naar de dàtsja verhuisde. Maar bovendien had ik zulke vorderingen gemaakt, in dit nieuwe, eigenaardige genre van ontdekkingen, dat ik op ’t gezicht af onfeilbaar kon aanwijzen, op wat voor dàtsja ieder woonde. De bewoners van het Steenen- en Apothekerseiland of van den Petershofweg onderscheidden zich door overdachte fijnheid in hunne manieren, weelderige zomercostumes en de prachtige equipages, waarin ze naar de stad reden. De bewoners van Pargolowo en omstreken prentten U op ’t eerste gezicht hun gezond verstand en degelijkheid in; de bezoeker van het Krjestofeiland onderscheidde zich door zijn onverstoorbaar vroolijk uiterlijk. Ontmoette ik een lange rij van vrachtkarren, geleid door koetsiers die met de slappe teugels in de hand er lui naast liepen: beladen met heele bergen van allerlei meubels: tafels, stoelen, Turksche en niet-Turksche divans en allerlei ander huisraad, op welker hoogsten top zich meestal de ziekelijke keukenmeid gezet had, om het goed van haar „volk” als een kostbaren schat te bewaken; zag ik een met huisraad zwaar beladen boot, langs Njewa en Fantànka naar het Zwarte Riviertje of de eilanden varende — dan vertien- dan verhonderdvoudigden die karren en booten zich in mijn oogen, dan scheen ’t mij, dat alles zich verhief en wegging, dat de menschen zich bij karavanen naar de dàtsja begaven; dan scheen ’t me toe dat heel Petersburg in een woestijn dreigde te veranderen, zoodat ik mij ten slotte beschaamd, beleedigd, verdrietig begon te gevoelen: ik had beslist geen gelegenheid of geen reden om naar de dàtsja te gaan. Ik was bereid met iedere vrachtkar mee te gaan, met ieder deftig uitziend heer, die een iezwosjtsjiek genomen had, mee te rijden: Maar niemand, letterlijk niemand noodigde mij uit — alsof ze mij vergeten hadden, alsof ik inderdaad voor hen een vreemde was! Ik liep gestadig en lang, zoodat ik volgens mijn gewoonte, ten slotte vergeten was, waar ik me eigenlijk bevond — als ik plotseling bij een slagboom tot me zelf kwam. Plotseling werd ik vroolijk te moede, ging den slagboom onder door en liep tusschen akkers en weiden. Mijn vermoeienis was verdwenen en ik voelde alleen met mijn geheele wezen, dat er een last van mijn ziel viel. De boeren, die mij op hun karren voorbij reden, deden mij zoo vriendelijk aan, dat ze mij bijna groetten, allen waren zoo vroolijk, àllen rookten sigaren. Ook ik was zoo vroolijk, als ik nog nooit geweest was, ’t was me, als of ik plotseling in Italië was verplaatst, zóótrof mij, halfzieken stedeling, bijna stikkend tusschen de stadsmuren, de natuur! Er is iets onzegbaar-roerends in onze Petersburgsche natuur, als zij bij het aanbreken van de lente plotseling al haar kracht toont, al de machten, haar door den hemel gegeven, als de boomen uitbotten, als ze zich versiert, met kleurige lentebloemen…. Onwillekeurig brengt ze mij te binnen het ziekelijke, uitgeteerde meisje, waarnaar ge soms met mededoogen, soms met medelijdende liefde, soms eenvoudig niet kijkt, maar dat wel plotseling, voor één oogenblik, onzegbaar, wonderlijk mooi wordt en gij, getroffen, betooverd, vraagt onwillekeurig U zelven af: welke kracht doet die droeve zwaarmoedige oogen zoo schitteren? Wat dreef het bloed naar die bleeke, vermagerde wangen? Wat overstroomde die teedere gelaatstrekken met hartstocht? Hoe begint die borst zoo te hijgen? Wat bracht die kracht, dat leven, die schoonheid op het gelaat van dit arme meisje, wat bracht dien glins terenden glimlach erop, wat verlevendigt het met zulk een hellen, glanzenden lach? Gij kijkt in ’t rond, zoekt iemand, vermoedt iets…. Maar het oogenblik gaat voorbij en misschien morgen zult gij weer dienzelfden zwaarmoedigen, verstrooiden blik ontmoeten, zooals vroeger, datzelfde bleeke gezicht, denzelfden weemoed,...