E-Book, Dutch, Flemish, 302 Seiten
Boersma Ik volg je
1. Auflage 2013
ISBN: 978-94-6109-124-6
Verlag: De Crime Compagnie
Format: EPUB
Kopierschutz: 6 - ePub Watermark
E-Book, Dutch, Flemish, 302 Seiten
ISBN: 978-94-6109-124-6
Verlag: De Crime Compagnie
Format: EPUB
Kopierschutz: 6 - ePub Watermark
Marelle Boersma (1957) is een vernieuwend schrijfster. Ze schrijft boeken over actuele misstanden, vaak gebaseerd op waargebeurde verhalen van slachtoffers. Met haar onderwerpkeuze beweegt ze zich daardoor op de grens van waarheid en fictie. Inmiddels heeft Marelle zeven thrillers op haar naam staan, waaronder Moederziel (2013) en Vals alarm (2011). Vals alarm heeft de tweede prijs gewonnen bij de Thrillerawards 2012. Producente Felice Bakker van The Filmers heeft getekend voor de filmrechten van Vals Alarm. In december 2013 zal haar nieuwe thriller Ik volg je verschijnen; een verhaal van een slachtoffer van stalking. Sinds het voorjaar van 2010 is ze vaste columniste bij Libelle.nl. Vanaf 2010 geeft Marelle schrijftrainingen, die voornamelijk gericht zijn op spannend schrijven.
Autoren/Hrsg.
Weitere Infos & Material
1
Met een joviale groet kom ik de apotheek binnen. ‘Een welgemeend goedemorgen.’ Ik zie drie hoofden omhoogkomen, en zelfs op het gezicht van Bregje verschijnt een glimlach. Ze is de laatste tijd erg stil, alsof ze in zichzelf is weggekropen, maar nu zie ik weer even de oude Bregje.
Theo is achter in de ruimte bezig, maar komt direct op me aflopen.
‘Zo, wat een stralende zomergroet op deze sombere dag.’
‘Juist daarom.’ Ik loop om de balie heen en leg mijn tas op een stoel.
‘En wat maakt jou zo vrolijk? Iets speciaals te vieren?’ Hij leunt tegen de muur, slaat zijn armen over elkaar en kijkt me onderzoekend aan.
‘Nee hoor, gewoon een tegenhanger van alle narigheid die ik op mijn werk tegenkom.’
‘Als ze jou zien, worden ze spontaan beter.’ Er zit een ondeugende flonkering in zijn ogen.
‘Als dat zo zou zijn, was ik snel werkeloos.’
‘Dat denk ik niet, misschien doen patiënten zich juist zieker voor, alleen maar voor wat persoonlijke aandacht van jou.’
‘Dat klinkt beter.’
‘Beter of zieker?’
Ik schiet in de lach. ‘Genoeg gekletst. Moest ik medicijnen meenemen?’
‘O ja, daar had ik over gebeld.’ Theo’s gezicht staat direct weer serieus. ‘Je moet even bij Simon langs.’ Hij loopt naar de kast waar alle bestellingen liggen. Zijn kale hoofd glimt in het steriele tl-licht, en zijn lange nek en zijn iets naar buiten gerichte oren geven de indruk dat hij altijd alert is.
‘Doe ik bijna elke week,’ roep ik hem na.
‘Hier, nieuwe dormicum.’ Ik krijg een zakje in mijn handen geduwd.
‘Nu alweer? Hij klaagde zeker weer over vermoeidheid?’
Theo knikt met een duidelijk hoorbare zucht.
‘Volgens mij heeft hij wat anders nodig. Maar goed, ik zal het voor hem meenemen, en hem direct ook die schop onder zijn kont verkopen.’
Theo grinnikt en legt een hand op mijn schouder. ‘Wees een beetje lief voor hem, Pien. Dat verdient hij wel.’
‘Alsof ik ooit anders doe.’ Ik knipoog en loop naar de deur, me bewust van Theo’s ogen op mijn lichaam.
De dunne twijgjes van de berkenbomen bewegen zacht in de wind. Het is koud. Ik hou niet van de winter, zeker niet als het troosteloos grijs is. De grauwe kilheid is een koord rond mijn nek dat net te strak zit. Pas als de zon in haar lage stand over de velden schijnt, komt er weer enige vrolijkheid in mijn hoofd.
Ik weet waar mijn gevoel mee te maken heeft, maar ik weiger het toe te laten. De winter was in dat jaar zachter dan ooit, met wekenlang een eentonig weerbeeld: regen, buien en neerslag. De velden lagen er sompig bij met plassen water die niet van plan leken om in de grond weg te zakken. Ik zal nooit weten of die sombere sfeer een directe aanleiding was van zijn stap, maar met dit soort weer moet ik vechten om mijn humeur op peil te houden.
Juist op dit soort dagen benauwt de biblebelt me. Het begin was moeilijk. De mensen uit deze omgeving waren vriendelijk, maar behandelden ons als vreemdelingen, terwijl de gelovige goedheid van de gezichten straalde. Nu, na zoveel jaren, heb ik het idee dat we eindelijk deel uitmaken van de gemeenschap.
Ik parkeer mijn auto, gooi mijn portier dicht en loop de oprit op. De gordijnen zijn open, maar er is niets te zien. De woonkamer ligt in het duister gehuld, maar ik weet dat Simon thuis zal zijn. De bewegingsmelder flitst aan als ik over het tuinpad naar de achterdeur loop. Achterdeuren zijn hier altijd open.
‘Ik ben het!’ roep ik, ook al weet ik dat hij me allang gespot heeft. Er is niets mis met zijn ogen.
‘Dag wijfie, kom snel binnen. Hier is het warm.’
Zijn leunstoel staat in het midden van zijn overvolle woonkamer, al het andere is eromheen gerangschikt. Een bijzettafel met de telefoon, een krantenbak vol leesvoer, het krukje waarop twee lege bekers staan, een uitpuilende prullenbak en natuurlijk de hondenmand waarin normaal een klein wollig hondje ligt. Die laatste springt nu als een stuiterbal om me heen, terwijl ik haar probeer te aaien.
‘Tasja zorgt gelukkig zelf voor haar lichaamsbeweging.’ Een piepend lachje volgt.
‘Ik zal haar zo wel even uitlaten.’
‘Fijn, wijfie.’
‘Ik ben niet zo blij met je.’
Hij had acteur moeten worden, zo natuurgetrouw is zijn verbaasde blik.
‘Slaappillen, wat een onzin. Je weet best waarom je moe bent.’
‘Wees niet zo hard voor me, Pien. Ik slaap slecht.’
‘Logisch, maar met deze pillen los je dat niet op.’ Ik ga bij hem zitten. ‘Je hart trekt het niet, Simon. En je weet dat ik je kan helpen.’
Hij draait zijn hoofd weg, en kijkt door het raam naar buiten. ‘En jij weet dat ik dat niet zie zitten.’ Een mopperstem.
‘Ik zorg ervoor dat ík die infusen bij je inbreng, en dat ík degene ben die je onder controle houd. Je krijgt alleen met míj te maken, verder met niemand.’
Ik kijk naar de man die nu stuurs voor zich uit staart en zie de rimpels in zijn gezicht. De kraaienpootjes rond zijn ogen, maar ook de denkrimpels op zijn voorhoofd. Die zware groef boven zijn neus is pas ontstaan nadat zijn vrouw is overleden. In een paar dagen zakten zijn wenkbrauwen en het duurde maanden voor ik weer een lachje rond zijn mond zag opduiken.
Hij kijkt me aan met die typische onderzoekende blik die onder zijn witte wenkbrauwen vandaan komt. ‘Kun je me dat beloven?’
‘Tuurlijk, als jij dat wilt.’
‘Ik heb het niet zo op al die medische types.’
‘Je bent anders gek op mooie verpleegsters.’
‘Ik ben gek op jou, en dat weet je.’ Er verschijnen lichtjes in zijn ogen.
‘Maar jij bent dan ook speciaal voor me.’
‘Je verwaarloost me.’
‘Ik? Ik kom elke week langs, terwijl je eigenlijk niet eens op mijn lijst staat.’ De gespeelde verontwaardiging heeft een serieuze ondertoon. Ik maak me dan ook terecht zorgen over hem, als hij zo doorgaat haalt hij het nieuwe jaar niet eens. ‘Ik beloof je dat ik jou als mijn persoonlijke patiënt opvoer. Als dat je rust geeft is het al de moeite waard.’
‘En als...?’
Ik hoef alleen maar mijn handen op zijn knieën te leggen of hij doet er het zwijgen toe.
‘Goed dan, regel het maar.’ Hij kijkt de andere kant op, en ik zie zijn ogen in de verte staren. Heel even denk ik dat hij misschien niet eens meer wil blijven leven.
Tasja legt zeker vier keer de afstand af die ik loop. Ze rent heen en weer, duikt met haar voorpoten in het hoge gras, en ligt daarna met haar kont omhoog naar me te kwispelen, wachtend op het balletje dat ik voor haar zal weggooien. Ik heb nog nooit een hond meegemaakt die braaf het balletje voor mijn voeten neerlegt, en dan tien meter verderop gaat liggen wachten tot ik het weer weggooi, maar Tasja doet niet anders. Ze wil niet vechten om die bal, ze wil alleen maar rennen, en spelen. Onvermoeibaar.
Het is een schrille tegenstelling met de conditie van haar baasje. Het baart me meer zorgen dan ik wil toegeven dat Simon op geen enkele manier geholpen wil worden. De allergie voor alles wat met dokters te maken heeft is hardnekkig, en is alleen maar erger geworden sinds de dood van zijn geliefde Rina. Hij heeft het nooit onder woorden gebracht, maar ik weet dat hij de diagnose niet vertrouwde, en dat hij het ziekenhuis aansprakelijk stelde voor haar dood. Ik was in die tijd net begonnen met mijn stage en hoorde het gerucht gonzen bij de andere verpleegkundigen. Sinds ik een vaste aanstelling heb gekregen, stapelden de klachten over hem zich op. Collega’s noemden hem een hypochonder, maar volgens mij zat er meer achter. Gelukkig is hij eindelijk zo ver dat hij zich wil laten helpen.
‘Kom Tasja, we gaan terug naar het baasje.’ Ik moet hierna nog één patiënt bezoeken en daarna zit mijn dienst erop.
‘Ik doe het niet,’ bromt Simon zodra ik de woonkamer binnenkom. Ik stop abrupt en staar de man aan die nu doelbewust de andere kant opkijkt. Tasja gaat in haar mandje liggen, ze slaakt een zucht met een hoog piepje.
‘Zo baas, zo hond,’ zeg ik. Ik heb er ineens schoon genoeg van. Waarom zou ik mijn tijd nog verspillen aan deze discussie. Simon wil niet geholpen worden, dat is duidelijk. ‘Ik ben weg. Ik weet niet wanneer ik weer langs kan komen.’
Ik graai mijn tas van de stoel, pak de twee bekers en loop naar de keuken.
‘Ben je boos? Ik kan het niet, Pien. Hoor je me? Ik kan het niet.’
Het raakt me zoals hij zichzelf in de weg zit. Maar tegelijkertijd ben ik boos op mezelf. Waarom lukt het me niet tot hem door te dringen? Ik ben transmuraal gespecialiseerd verpleegkundige en als zodanig moet ik in staat zijn niet alleen mensen ziekenhuiszorg thuis te geven, maar ook ze te bewegen om geholpen te worden. Sterker nog, ik wéét dat ik hem kan helpen, met een simpel infuus. Het geeft een machteloos gevoel dat hij me dit niet toestaat.
Met een klap zet ik de lege bekers op het aanrecht. Een van de deurtjes in de keuken valt op de grond.
‘Mijn slaappillen? Pien, waar heb je mijn pillen gelaten?’ hoor ik zijn stem vanuit de woonkamer.
Barst met je slaappillen. Die zijn pas echt slecht voor je. Ik wil het hem toeroepen, maar houd me in. Nutteloos. Ik loop terug en zet het zakje met de gevraagde medicatie voor hem neer.
‘Je keuken valt uit elkaar.’
‘Beter mijn keuken dan ik.’
‘Vraag eens aan René of hij er een keer naar kan kijken, dan kan hij direct ook je achterdeur maken, want die hangt schever in...




